Kalevala epos, vijftigste rune



Marjatta, de reine jongste,
groeide lang reeds in het huis op,
in het huis van hoge vader,
in geliefde moeders woonhuis.
Wel een vijftal kettingen, ja
’n zestal ringen zij versleet zo
aan de sleutels van haar vader
die op hare heupen glansden.
Zij versleet de halve drempel
met de glinsterend mooie kleedzoom
en versleet de helft der draagbalk
met de fijne zijden hoofddoek,
ook de helft wel van de deurpost
met de rand van zachte mouwen
en de planken op de bodem
met de hakken van haar schoenen.
Marjatta, de reine jongste,
ja, dit teer gebouwde meisje,
hoedde lange tijd haar kuisheid,
was bedeesd en heel bescheiden,
voedde zich met schone vissen
en met zachte sparre-schorsen;
nooit at zij een ei van kippen
die door ’n haan bevrucht reeds waren,
at ook nooit het vlees van schapen
waar de bok reeds mee gepaard had.
Melken moet zij van haar moeder,
doch met melken wil de jonkvrouw
en spreekt daarbij deze woorden:
‘Nimmer zal toch deze jonkvrouw
uiers melken van de koeien
die de stieren reeds besprongen!
“k Wil niet melken, daar van pinken
en van kalveren nog geen melk stroomt.’
Stuurt haar vader naar de slee haar,
wil zij met de hengst niet rijden;
brengt de broeder dan een merrie,
spreekt de jonkvrouw deze woorden:
‘k Wil niet met de merrie rijden
want de hengst was bij de merrie.
‘k Rijd niet als mij niet een veulen,
één maand oud slechts, voort kan trekken.’
Marjatta, de reine jongste,
welke steeds als jonkvrouw leefde,
als een meisje zich gedroeg ook,
‘t lange haar in kuise vlechten –
werd een herderin tenslotte,
ging de wei op met haar schapen.
Op de berg lopen de lammeren,
over heuvelrug de schapen,
over velden schrijdt de jonkvrouw,
huppelt door de elzestruiken,
bij de roep van gouden koekoek,
bij de zang der zilveren vogel.
Marjatta, de reine jongste,
schouwt rondom en luistert vlijtig,
ziet terneer in bessenvelden
op de helling van de heuvel;
spreekt de woorden die zo klinken,
zelve spreekt zij deze woorden:
‘Roep nu, o gij gouden koekoek,
zing nu, o gij zilveren vogel,
neurie luid, gij tinnen borstje,
zeg o wonderbare bes mij:
ga nog lang ik zonder hoofddoek,
zal ik lang nog schapen hoeden
op de uitgestrekte velden,
op de wijde grond der wouden?
Nog één zomer of wel twee nog,
of wel vijf, of zelfs een zestal,
of misschien een tiental zomers,
ofwel deze niet ten einde?’

Marjatta, de reine jongste,
leefde lang aldus als hoedster,
moeizaam is het herdersleven,
moeilijk zeker voor een jonkvrouw.
in het grasveld kruipen slangen,
hagedis sluipt op de bodem.
Doch toen slopen er geen slangen,
kropen er geen hagedissen;
van de heuvel riep het besje,
van het veld de vossebes nu:
‘Kom, o jonkvrouw, wil mij plukken,
kom o roodwang, kom en pak mij,
tinborst, pluk mij van de takken,
koperen gordel, kom en kies mij
eer de slakken aan mij sabbelen,
eer de zwarte slang mij opeet;
honderd hebben reeds gezien mij,
duizend hebben hier gezeten,
honderd meisjes, duizend vrouwen,
kinderen ook in grote scharen,
geen van hen heeft ooit beroerd mij,
heeft mij arme willen plukken.’
Marjatta, de reine jongste,
ging nu langs het pad een weinig,
ging om ‘t besje te bekijken,
ging om ’t rode af te plukken,
met de mooie vingertoppen,
met de wonderschone handen.
Ziet de bes daar op de heuvel,
op het veld de vossebes daar,
ziet er echt uit als een besje,
als een vossebes gegroeid ook,
iets te hoog slechts van de grond af
van de boom uit iets te laag ook.
Nam een stokje van de heide,
sloeg daarmee de bes ter aarde;
van de aarde steeg de bes op,
steeg al naar haar mooie voetjes.
Van de ranke voeten steeg hij
op tot aan haar kuise knieën,
van de kuise knieën steeg hij
op de heldere zoom der kleding.
Steeg op naar de streek der gordel,
van de gordel naar de borsten,
van de borsten naar de kin toe,
van de kin naar hare lippen.
Glijdt dan in haar mond naar binnen,
schommelt daar wat op haar tongpunt,
van de tong zo naar de keel toe,
in haar maag glijdt hij omlaag dan.
Marjatta, de reine jongste,
zwol daarvan en was nu zwanger,
zij bereikte grote volheid,
over-zwaar werd nu haar lichaam;
zonder koorden ging zij lopen,
kleedde zich nu zonder gordel,
heimelijk ging zij naar de sauna
om in ’t duister daar te wijlen.
Steeds maar peinsde nu haar moeder,
overlegde zo de oude:
‘Wat geschiedde met Marjatta,
met ons allerliefste hoentje,
dat zij zonder snoeren rondloopt,
zonder gordel steeds maar kleedt zich,
in de sauna gaat zo heimelijk
en verwijlt daar in het duister
Aldus sprak er toen een kindje,
sprak een kind toen deze woorden:
‘Dit geschiedde met Marjatta,
dit was ’t onheil voor de arme:
al te lang heeft op de weide
bij de kudde zo gewijld zij.’
En zij droeg des lichaams volheid
en zijn zwaarte bracht haar smarten,
zeven maanden en de achtste,
negen maanden na elkander
naar de oude vrouwentelling –
en van tiende maand de helft nog.
In de tiende van de maanden
kwam in grote pijn de jonkvrouw,
spanning steeg nu in haar lid’,
drukte haar met grote kwelling.
Vraagt dan om een bad de moeder.
‘0, mijn diep geliefde moeder,
ruim toch in voor mij een plekje,
geef mij toch een warme ruimte,
geef een toevlucht aan het meisje
om haar weeën daar te dragen.’
Spreekt de moeder deze woorden,
geeft de oude haar ten antwoord:
‘Wee jou, minnares van Hiisi!
Naast wie heb jij wel gelegen?
Was het een der ongetrouwde
of van de getrouwde helden?’
Marjatta, de reine jongste,
geeft ten antwoord deze woorden:
‘Noch lag ik bij ongetrouwden,
noch ook lag ik bij getrouwden;
ging naar heuvel vol met bessen,
ging de vossebessen plukken,
nam wat leek een rode bes slechts,
nam hem, op mijn tong bewoog hij,
heel snel gleed hij door mijn keel heen,
glipte ijlings naar mijn maag toe.
Daarvan zwol ik, werd ik zwanger,
daarvan kreeg nu mijn volheid.’
Vraagt dan om een bad de vader:
‘0, mijn diep geliefde vader,
ruim toch in voor mij een plekje,
geef mij toch een warme ruimte
waar de arme rust kan vinden,
‘t meisje van haar pijn verlost wordt.’
Spreekt de vader deze woorden,
geeft de oude haar ten antwoord:
‘Ga, o deerne, weg van hier nu,
weg van hier, jij vuurboeleerster!
Ga naar ’t rotshol van de beer toe,
naar het steenvertrek van brombèer,
breng daar, deerne, tot geboorte,
breng je kind maar daar ter wereld!’
Marjatta, de reine jongste,
spreekt vol wijsheid deze woorden:
‘Ben een deerne zeker geenszins,
waarlijk niet een vuurboeleerster,
zal voorwaar van grote held toch,
zal van edele man bevallen
die de macht’gen zal gebieden,
zelfs de grote Väinämöinen.’

Vol van zorgen was de jonkvrouw.
Waar haar schreden heen te wenden
en bij wie de sauna vragen?
Spreekt de maagd nu deze woorden:
‘Piltti, jij, mijn kleine meisje,
jij, de beste van mijn maagden,
vraag in ’t dorp voor mij een sauna,
zoek een sauna bij Saraja
waar de arme rust vinden,
’t meisje van haar pijn verlost wordt;
ga toch snel, gezwind nu, haast je,
want de nood is hoog gestegen.’
Piltti nu, het kleine meisje,
spreekt de woorden die zo klinken:
Wie zal ik om sauna vragen,
wie zal ik om hulp nu smeken?’
Sprak nu Marjatta, de goede,
spreekt nu zelve deze woorden:
Vraag de sauna bij Ruotus
bij de toegang van Saraja!’
Piltti nu, het kleine meisje,
gaf gevolg aan deze woorden,
stond steeds klaar, ook ongevraagd zelfs,
ongemaand gaat zij op weg al,
haastte weg zich als een wolkje,
leek een rookwolk van de hoeve,
hief de kleedzoom in haar armen,
nam haar rok op met de handen,
haastte zich met snelle schreden
regelrecht naar ‘t huis van Ruotus;
bergen beefden toen zij voortschreed,
heuvels schudden toen zij rende,
in ’t moeras sprongen de stenen,
denne-appels op de heide.
Kwam bij ’t huis waar Ruotus woonde
en trad in het woonhuis binnen.
Lelijke Ruotus at daar
juist in hemdsmouw als een heerschap,
in zijn fijne linnen kleren
zat hij aan het hoofd der tafel;
bij het maal sprak Ruotus bars nu,
zwaar geleund daar op de tafel:
‘Wat wil, slechte meid, jij zeggen,
waar vandaan wel kom je, wichtje?’
Piltti, zij, het kleine meisje,
spreekt de woorden die zo klinken:
‘Om de sauna kom ik vragen
’k zoek een sauna in Saraja
waar de arme rust kan vinden,
De benarde hulp kan krijgen.’
Komt het lelijk wijf van Ruotus,
zet haar handen in de heupen,
op de deel komt zij naar voren,
haast zich midden in de kamer,
vraagt nu zelve ijv’rig aldus,
laat op deze wijs zich horen:
‘Wie zal ik dat bad bereiden,
voor wie is ‘t dat jij om hulp vraagt?’
Spreekt het kleine meisje Piltti:
‘Marjatta, voor haar kom ‘k vragen.’
Spreekt het lelijk wijf van Ruotus
zelve daarop deze woorden:
‘Voor een vreemde is geen bad hier
in de sauna van Saraja;
in ‘t ontgonnen veld zijn sauna’s,
in het sparrenbos een stal is
waar die vuurboeleerster baren,
waar die deern haar kind kan krijgen;
als het paard daar snuift en ademt
kan zij in de damp zich baden!’
Piltti, zij, het kleine meisje,
loopt terug met snelle schreden,
holt en rent zo snel zij voort kan,
spreekt als zij is aangekomen:
‘In het dorp is er geen sauna,
noch een sauna bij Saraja;
Ruotus’ lelijk wijf mij zeide,
sprak de woorden die zo klonken:
“Voor een vreemde is geen bad hier,
in de sauna van Saraja;
in ’t ontgonnen veld zijn sauna’s,
in het sparrenbos een stal is
waar die vuurboeleerster baren,
waar die deern haar kind kan krijgen;
als het paard daar snuift en ademt
kan zij in de damp zich baden!”
‘t Boze wijf sprak zulke woorden,
dit was wat zij gaf ten antwoord.’
Marjatta, de tedere jonkvrouw,
daarop stil begon te wenen
en sprak zelve deze woorden:
“k Zal mijn weg nu moeten zoeken
als een arme dagloon-werkster,
als een knecht die men gehuurd heeft,
naar door ‘t vuur ontgonnen velden,
naar het grasveld tussen sparren.’
Vingers pakken op haar rokken,
nemen rokzoom in de handen,
berkenroede in haar armen,
zachte bundel berketwijgen,
schrijdt met snelle schreden voorwaarts,
barre wee het lichaam kwellend,
naar de hut in sparrenwouden,
naar de stal bij Tapio-heuvel.
Spreekt de woorden die zo klinken,
laat op deze wijs zich horen:
‘Kom, o Schepper, mij te hulpe,
vol erbarmen kom beschermen
bij deez’ moeitevolle arbeid
in de al te zware stonde.
Van benauwenis verlos haar,
van de lichaamspijn de jonkvrouw
datzrij niet van smart vergaan zal,
dat in weeën zij niet sterve.’
Als zij dan bereikt het doelwit
spreekt zij zelve deze woorden:
‘Adem nu, mijn dierbaar paardje,
snuif nu sterk en moedig, veulen,
om de warme damp te schenken,
warmte om mij te verspreiden,
dat ik, arme, rust kan vinden,
dat ik hulp krijg in mijn noden!’
Ademde het goede paardje,
snoof heel diep het sterke veulen
naar het lichaam vol van smarten.
Toen het paard zo adem haalde
werd het warm als in de sauna,
alsof waterdruppels sproeiden.
Marjatta, de tedere jonkvrouw,
zij, het kuise jonge meisje,
baadde volop nu haar lichaam
in weldadig goede warmte;
baarde daar haar kleine jongen,
legde het onschuldig wichtje
op het hooi al in de kribbe,
bij het paard met mooie manen.
Waste toen haar kleine jongen,
wikkelde het warm in doeken,
nam het knaapje op haar knieën,
veilig op haar schoot het kindje.
Hield haar zoontje zo geborgen,
innig lief was haar het kindje,
bracht het groot, de gouden appel,
haar zo dierbaar zilverstekje;
voedde ‘t veilig in haar armen,
hield het in haar tedere handen.
Zette ’t zoontje op haar knieën,
op haar schoot hield zij het kindje,
borstelde het kleine hoofdje,
kamde zacht de zijden haren;
van haar schoot verdween toen ’t knaapje,
van haar knie verdween het kindje.
Marjatta, de tedere jonkvrouw,
werd vervuld van grote droefheid,
gaat op weg om ’t kind te zoeken,
zoekt haar lieve kleine zoontje,
zoekt vergeefs haar gouden appel,
zoekt het tere zilverstekje,
zoekt het onder molenstenen,
zoekt het onder slede-lopers,
onder grote zeef ook kijkt zij,
kijken gaat zij onder manden,
schudt de bomen, buigt de kruiden
en doorwoelt de lange grassen.
Lang zoekt zij haar dierbaar zoontje,
zoekt haar zoontje, haar zo kleine,
op de heuvel, tussen bomen,
op de wijde heidevelden,
kijkt bij alle heidebloempjes,
buigt in ’t struikgewas de takken,
woelt jeneverbessewortels,
heft de takken van de bomen.
Wil langs andere weg nog zoeken,
ijv’rig gaat zij andere wegen;
komt een sterre tegemoet haar,
buigend groet zij ’t stergefonkel:
‘Ster, door Jumala geschapen,
weet gij niet waar is mijn zoontje,
waar mijn kindje is gebleven,
waar mijn gouden appel zijn kan?’
Sterre gaf haar dit ten antwoord:
‘Wist ik het, ik zou ’t niet zeggen,
want door Hem ben ik geschapen
dat ik zelf in kwade dagen
in de vrieskou eeuwig glanzen,
fonk’len moet in duistere nachten.’
Wil langs andere weg nog zoeken,
ijv’rig gaat zij andere wegen.
Komt de maan haar glanzend tegen,
buigend groet zij hemelsikkel:
‘Maan, door Jumala geschapen,
weet gij niet waar is mijn zoontje,
waar gebleven is mijn kindje,
waar mijn gouden appel zijn kan?’
Geeft de maan haar dit ten antwoord:
‘Wist ik het, ik zou ’t niet zeggen
want ik ben door Hem geschapen
dat ik ook in kwade dagen
eenzaam in de nacht moet waken
en de hele dag moet slapen.’
Wil langs andere weg nog zoeken,
ijv’rig gaat zij andere wegen.
Komt de zon haar tegemoet nu,
buigend groet zij nu de zonne:
‘Zonne! Jumala eens schiep u.
Weet gij niet waar is mijn zoontje,
waar gebleven is mijn zoontje,
waar mijn gouden appel zijn kan?’
Vol wan wijsheid antwoordt zonne:
Ken heel goed je lieve zoontje,
want ik ben door Hem geschapen
dat ik in de goede dagen
stralend voortga in mijn goudglans
en in ’t zilver mooi kan glanzen!
Ken heel goed je dierbaar zoontje,
ken, o arme, goed de kleine;
dáár je zoontje is te vinden,
is jouw lieve gouden appel:
in ‘t moeras tot aan de gordel,
in de heide tot zijn oksels.’
Marjatta, de tedere jonkvrouw,
in ’t moeras nu zoekt haar kindje,
in ’t moeras vindt zij haar zoontje,
brengt vandaar hem weer naar huis toe.

Marjatta’s geliefde zoontje
groeide op in volle schoonheid,
niemand wist zijn naam te noemen,
kon een naam voor hem bedenken,
‘bloempje’ noemde hem zijn moeder,
‘nietsnut’ noemden hem de vreemden.
Werd gezocht nu wie kon dopen,
wie besprenk’len kon met water.
Kwam een oude man hem dopen,
Virokannas moest hem zegenen.
Sprak de oude deze woorden,
liet op deze wijs zich horen:
Kan ’t onnozel wicht niet zegenen,
kan niet dopen onbekende,
als niet eerst het onderzocht wordt
en een oordeel uitgesproken.’
Wie wel kon hier onderzoeken,
wie kon hier een oordeel spreken?
Väinämöinen, oud en wakker,
deze eeuwige wonderzanger,
moest de knaap nu onderzoeken
om een oordeel uit te spreken.
Väinämöinen, oud en wakker,
velde daarop ’t volgend oordeel:
‘Uit ’t moeras is ‘t kind ontvangen,
door een besje is ontstaan het,
laat dus op de grond hem liggen,
op de weide vol met bessen,
of weer naar ’t moeras hem brengen,
’t hoofd verbrijzelen tegen boomstam.’
Sprak ‘t twee weken oude knaapje,
sprak de veertien dagen oude:
‘0, jij oude zonder inzicht,
zonder inzicht o jij dromer,
dwaas is ’t oordeel dat je velde,
rechteloos de wet jij stelde.
Zelf werd je voor grover zonde,
voor lichtzinn’ger daden zelf niet
in ’t moeras gebracht en zelve
niet je hoofd aan boom verbrijzeld
toen je in je jonge jaren
eigen moeders kind wou geven
als een losprijs voor je leven,
om je zelve te bevrijden.
Toenmaals werd je niet gebracht, jij,
in ’t moeras, en later ook niet,
toen je eens, in jonge jaren,
jonge meisjes liet verzinken
in de diepte van de golven,
in het zwarte slijk der diepte.’
Doopt de oude snel het knaapje,
zegent snel het lieve kindje,
dat het koning van Karjala,
hoeder aller machten worde.
En de oude Väinämöinen,
diep beschaamd en heel verdrietig, en
maakt zich dan gereed tot heengaan,
wendt zijn schreden naar het zeestrand.
En hij zette daar een lied in,
zong nog eens het allerlaatste,
zong een boot vol koperwerk zich,
schip met koper rijk beslagen.
Aan het roer ging zelf hij zitten,
voer vandaar de wijde zee op.
Bij het scheiden sprak hij aldus,
varend sprak hij deze woorden:
‘Laat de lieve tijd voorbij gaan,
dagen gaan en dagen komen,
zeker zal men mij wel missen,
naar mij uitzien, naar mij zoeken
om de Sampo nieuw te smeden,
nieuw het snarenspel te bouwen,
nieuw de maan langs hemelwegen,
vrij een nieuwe zon te scheppen,
als noch maan, noch zonne schijnen,
alle vreugd ontvliedt de wereld.’ ;
Voer de oude Väinämöinen
onder luid geruis der zeilen
in zijn boot, getooid met koper,
’t schip met koper rijk beslagen,
tot de plaats alwaar de aarde
en de hemel samen komen.
Vast liet hij het schip daar lopen,
stille bleef het vaartuig staan daar,
liet het snarenspel ons achter,
schonk zijn harpe aan Suomi,
schonk zijn volk zo eeuwige vreugde,
schonk zijn machtig lied zijn kind’ren.

Zal mijn mond nu moeten houden,
zal mijn tong nu moeten binden,
zal de zangen laten rusten,
afstand doen van ‘t lustig zingen;
rusten moeten zelfs ook paarden
als zij lang gelopen hebben,
ook het staal der zeis wordt stomper
als het zomergras gemaaid is;
ook het water moet gaan dalen
als het door het stroombed voortgaat,
zelfs het vuur moet zich uitdoven
als in lange nacht het laaide:
waarom zou niet ‘t lied tenslotte,
niet de zang vermoeid geraken
na de vreugd van lange avond,
na de ondergang der zonne?
Dit ik hoorde dikwijls zeggen,
hoorde dikwijls ik herhalen:
zelfs de stroom van watervallen
laat niet al het water stromen;
zo zal ook de goede zanger
alle zangen toch niet zingen.
Beter is ’t met wijsheid sparen
dan in ’t midden af te breken.
Zo met rust ten einde komend,
zo besluitend, zo nu heen gaand
wikkel ik tot kluw de zangen,
rol ik samen tot een knot ze;
doe ze in de voorraadkamer
goed bewaard door ’t slot van botten,
dat zij niet van daar ontsnappen,
nooit en nimmer zo maar heen gaan
zonder dat ik ’t slot ontsluit weer
en ik open weer de kaken,
dat de tanden ik weer open
en de tong weer gaat bewegen.
Wat zou ’t geven als ik zong nog,
vele zangen nog liet horen,
als mijn zang door alle dalen,
door de dennenwouden galmde?
Niet in leven is mijn moeder,
niet is d’ oude op aarde wakker,
niet meer kan de dierb’re luisteren,
niet mijn zangen meer vernemen;
sparren zijn het die mij horen,
dennetakken die het leren,
teder buigen zich de berken
en jeneverbes omvangt mij.
Jong verloor ik al mijn moeder,
onvolwassen liet de dierb’re
mij als leeuwerik op de rotsen,
mij als merel op de stenen,
om als leeuwerik daar te zingen,
om als merel daar te fluiten
onder hoede van een vreemde,
in stiefmoederlijke zorgen;
deze jaagde de arme jongen,
jaagde liefdeloos de arme
naar de windzij van de kamer,
naar de noordzij van de woning,
zó dat wind de onbeschermde
onbarmhartig met zich voerde.
Moest als leeuwerik gaan trekken,
ging toen zwerven als een vogel;
over velden liep ik arme,
moest met moeite wegen vinden,
leerde elke windvlaag kennen
en begrijpen ieder ruisen,
in de vorst leerde ik beven,
in de kou leerde ik klagen.
Zelfs ook nu zijn er veel mensen,
dikwijls mensen die tot mij nu
met een stem vol haat iets zeggen,
met een barse stem mij steken,
mensen die mijn tong vervloeken,
zelfs over mijn stem gaan schreeuwen,
er op aan te merken hebben,
die mijn zingen lastig vinden,
zeggen dat heel slecht ik zing zelfs
en onjuist het lied zou zeggen.
Laat het niet, o goede mensen,
uw verwondering verwekken
dat als kind ik zoveel zong al,
dat zo’n kleintje slechts kon kwetteren.
In de leer ging ’k immers nimmer,
’k was niet bij beroemde mannen,
’k heb gehoord nooit vreemde woorden,
nooit de spraak van verre landen.
Anderen konden in de leer gaan,
ik slechts kon niet weg van huis gaan,
van de zijde van mijn moeder,
’k moest haar, eenzame, toch helpen.
Thuis was het dat ik moest leren,
in de eigen voorraadkamers,
bij het spinwiel van mijn moeder,
bij het houtsnijwerk mijns broeders,
toen ik was een kleine jongen
in een hemd dat was versleten.
Maar hoe ook dit alles zijn mag,
zangers kon de weg ik wijzen,
'k wees de weg en boog de toppen,
brak de takken, baande wegen,
daarmee is de weg geëffend,
’t pad geopend voor de toekomst:
zangers, kundiger en rijker,
meer begaafde runenzangers,
onder jeugd die nu al opgroeit,
in het jonge volk der toekomst.


Met toestemming van de uitgeverij overgenomen uit:
Kalevala : Het epos der Finnen / verz. door Elias Lönnrot ; in Nederlandse verzen
[vert. uit het Duits naar de oorspr. Finse uitg.] gebracht door Mies le Nobel ;
van vijftig tek. voorz. door André Maas. - Zeist : Vrij Geestesleven / Christofoor,
cop. 2007. - 332 p. : ill. ; 25 cm
Oorspr. Nederlandse uitg.: Rotterdam : Christofoor, 1978
Vert. van: Kalevala. - München : Meyer und Jessen, 1921
ISBN: 9789060386019