Kalevala epos, tweede rune



Weldra schreed nu Väinämöinen
over kale, dorre gronden,
over 't zee-omspoelde eiland,
over bomeloze vlakten.
Daar verbleef hij vele jaren,
leefde lange, lange tijden
zwijgzaam voort op 't eenzaam eiland,
op de bomeloze vlakte.
Dacht diep na en overlegde,
overwoog het in gedachten
wie voor hem het land bezaaien,
wie het zaad wel uit zou strooien?
Pellervoinen, zoon der velden,
Sampsa, is het, klein van stuk maar,
die een goede zaaiman zijn zou,
had een goede hand van zaaien.
Hij bezaait het land met ijver,
zaait op 't land en in moerassen,
zaait op losse grond der velden,
ook op harde, stenige gronden.
sparren zaait hij op de bergen,
dennen zaait hij op de heuvels,
dorre gronden krijgen heide,
dalen krijgen tere twijgen.
Berken plant hij in moerassen,
elzen in de losse gronden.
Vochtig land ontvangt de vuilboom,
zachte grond de taaie wilgen,
heilige plek de lijsterbessen,
waterland de waterwilgen,
arme grond jeneverbessen
en 't rivierland stoere eiken.
Hoger groeiden reeds de bomen;
reeds ontsproten jonge twijgen,
rode bloesem aan de sparren;
berken tooiden de moerassen,
pijnboom groeide in de breedte,
elzen op de losse gronden,
op het natte land de vuilboom.
Mooie kleine zware vruchten
draagt jeneverbes op zandgrond,
goede vruchten geeft de vuilboom.
Väinämöinen, oud en wakker,
wilde rondgaan en beschouwen
hoe het zaad van Sampsa opschoot,
Pellervoinens werk gedijde;
zag de bomen zich verheffen,
jonge spruiten lustig botten.
slechts de eik wil niet ontkiemen,
Jumala's boom geen wortel schieten.
vrijheid liet hij de onwillige,
liet hem eigen wegen vinden
en hij wachtte nog drie nachten,
ook drie dagen nog geduldig.
vlug was zo een week verstreken
en hij ging toen weer eens kijken:
groeien wil nog steeds de eik niet,
Jumala's boom geen wortel schieten.
Ziet daar dan een viertal meisjes,
ja, zelfs vijf wel, waterbruiden,
op de zachte weidevelden,
op het nat bedauwde grasland,
op de nevelrijke landtong,
op het dampomgeven eiland;
harken daar wat zij gemaaid eerst,
leggen het op lange hopen.
Uit de zeeën stijgt een reus op,
komt aan land de sterke Tursas:
perst de grassen dat zij branden,
fel de vlammentongen lekken,
tot de vuurgloed weer gedempt wordt
en tot as zij gans vergaan zijn.
Daar nu lag de as in hopen,
hele bergen, grijs en stoffig.
Daarin zette hij een eikel,
bottend uit in tere blaadjes,
't groeide uit tot jonge plant dra,
weeld'rig groene loten schoten
op uit d' aarde als bij bessen,
tot gevorkte sterke takken:
breidt dan takken uit in 't ronde,
rijker, voller wordt de kroon reeds,
heft de top reeds hoog ten hemel,
wijder, wijder reiken twijgen,
remmen wolken op hun tochten,
laat zelfs wolkjes niet vertrekken,
gunt de zon niet licht te stralen,
gunt de maan niet zacht te glanzen.
Väinämöinen, oud en wakker,
dacht diep na en overlegde:
'Kon men deze boom toch vellen,
dat de stam bier neer zou storten.
Droevig wordt het mensenleven,
moeizaam voor de vis het zwemmen
als het zonlicht niet kan stralen,
als het maanlicht niet kan glanzen.'
Nergens was een held te vinden,
nergens zag hij zulk een reus nog
om de eikestam te vellen
met zijn honderd hoge toppen.
Väinämöinen, oud en wakker,
sprak toen peinzend deze woorden:
'Moeder die mij hebt gedragen,
scheppingsdochter die mij voedde,
zend mij sterke waterkrachten
- vele machten zijn in 't water -
om te vellen deze eik hier,
uit te roeien zo zijn slechtheid,
opdat zonne weer kan stralen,
opdat maanlicht weer kan glanzen.'
Toen ontsteeg een man aan 't water
dook een held op uit de golven,
niet de grootste van de groten,
noch de kleinste van de kleinen:
Mannenduim omvat zijn lengte,
vrouwenhandbreed is zijn hoogte;
op zijn hoofd een muts van koper,
koperen laarzen aan zijn voeten,
koperen handschoen aan de handen,
koperen siersels langs de randen,
koperen gordel om zijn lichaam,
koperen bijl steekt in zijn gordel,
één duim lang slechts is de bijlsteel,
't blad omvat één spijkerlengte.
Väinämöinen, oud en wakker,
overlegde en bezon zich:
'Heeft het aanzien van de mensen,
is een held in heel zijn wezen,
maar de lengte van één duim slechts,
nauwelijks een koehoef hoogte.'
spreekt daarop dan deze woorden,
laat op deze wijs zich horen:
'Wat ben jij wel voor een ventje,
jij, armzaligste der helden,
nauwelijks beter dan een dode
nauwelijks méér waard dan gestorvenen?
sprak de kleine man der wateren,
antwoord gaf de held der stromen:
'Ben een man, een man zeer zeker,
uit bet heldenvolk der wateren,
kwam hier om de boom te vellen,
om te hakken deze boomstam.'
Väinämöinen, oud en wakker,
spreekt dan zelve deze woorden:
'Nooit en nimmer is dat mogelijk,
nooit en nimmer heb jij krachten
om de zware stam te hakken,
deze wondere boom te vellen.'
Nauwelijks had hij dit gesproken
en nog eens naar hem gekeken,
of de man was plots veranderd,
uitgegroeid tot reusgestalte.
Voet treedt zwaar de aardebodem,
hoog reikt `t hoofd reeds in de wolken,
volle baard reikt tot zijn knieën,
ja, zijn haar hangt op zijn enkels,
vademwijd uiteen de ogen,
vadembreed zijn ook zijn heupen,
van de knieschijf ruim één vadem
en twee vadem van zijn heupen.
Wette 't ijzer heen en weder,
sleep behendig 't vlak der snede
met zes harde kiezelstenen
en met zeven slijpsteenbrokken.
schrijdt dan voort met
reuzenschreden,
heft zijn benen op gezwind al
in de wagenwijde broekspijp,
door de wind bol opgeblazen.
Met een lange schrede schrijdt hij
over losse, zandige gronden,
reeds de tweede schrede voert hem
over donkere, zware aarde,
met de derde schrede heeft hij
reeds bereikt de eikewortels.
Houwt met bijlkracht op de stam in,
't scherp der snede klooft het hout reeds.
Eenmaal houwt hij, tweemaal houwt hij,
slaat ten derden male heftig.
vonken spatten op van 't koper,
uit het eikehout vlucht vuurkracht,
onderwerpen wil de eik hij,
nederbuigen deze boomstam.
Toen hij sloeg ten derden male
kon de eik hij eindelijk breken,
nedervellen deze boomstam,
honderd toppen neer doen neigen.
wierp de eikestam naar 't oosten
en de toppen naar `t noordwesten,
alle loof wierp hij naar 't zuiden,
alle takken ver naar 't noorden.
Wie een twijgje daar slechts raapte
bracht het lange tijden welvaart,
wie een topje zich veroverd'
kende eeuw'ge toverspreuken,
wie van 't groene loof iets afsneed
viel ten deel de zoete liefde.
Wat aan spaanders rondgestrooid was,
wat aan splinters was gevlogen
over held're watervlakten,
over kalme golvendeining,
werd op wind gewiegd in vlagen,
door de golven zacht bewogen
als een scheepje op de golven,
als een boot doorklievend 't water.
Naar het noordland droeg de wind
hen;
Noordlands maagd, de kleine jonkvrouw,
waste daar haar fraaie hoofdtooi,
sloeg en spoelde daar haar kleren
op de grote vlakke stenen
aan de oever van de landtong.
zag de spaanders in het water,
borg ze in haar leren ransel,
nam ze in haar ransel mede,
keerde met de spaanders huiswaarts,
dat de jager wapens snijden,
pijlen maken kon de tovenaar.

Toen de eik nu was gevallen,
diep vernederd trotse boomstam,
kon de zon weer heerlijk stralen,
kon het zilveren maanlicht glanzen,
konden weer de wolken drijven,
wijd de hemel zich weer welven
over 't damp-omgeven eiland,
over nevelrijke toppen.
Fraai verhieven zich de wouden,
volop groeiden reeds de bossen,
't loof der bomen, kleine kruiden;
vogels zongen in de bomen,
lustig floten montere merels
en de koekoek liet zich horen.
Bonte bessen rijpten sappig,
gouden bloesems bloeiden stralend
tussen kruiden aller soorten,
alles groeide naar zijn wijze;
slechts de gerst wil niet gedijen,
't schone zaad maar niet ontspruiten.
Väinämöinen, oud en wakker,
liep langs 't strand en overlegde,
aan de kust der blauwe wateren,
langs de rand der machtige zeeën,
vond in 't zand daar aan zijn voeten
zes, ja, zeven schone korrels,
aan het strand der wijde zeeën,
waar de golven 't land beroeren.
Borg ze op in 't marterhuidje,
in het vel der zomereekhoom.
wit de aarde nu bezaaien,
zaad de bodem toevertrouwen,
bij de bron Kaleva's zaaien,
aan de zoom van Osmo's velden.
Kwettert daar de mees op boomtak:
'Niet kan Osmo's gerst gedijen,
niet Kaleva's haver kiemen
als de akker niet bereid is,
als 't gewas niet is ontworteld,
als het vuur niet heeft gereinigd.'
Väinämöinen, oud en wakker,
schaft een bijl aan scherp van snede,
om het bos te gaan ontginnen,
om met kracht het bos te tooien;
bomen, struiken velt hij neder,
slechts de berk spaart hij voor bijlslag,
tot een rustplaats voor de vogels
waar de koekoekroep kan klinken.
Adelaar daalt uit de hoogte
neer op wijd gespreide vleugels
om te zien wat daar gebeurde:
'Waarom spaart gij deze berk daar,
laat hem onbeschadigd leven?
Waarom velt hem niet uw bijlslag?'
Väinämöinen geeft ten antwoord:
'Daarom is zij daar gelaten
dat de vogels op haar rusten,
dat de arend daar zijn rust vindt.'
Spreekt de arend, vriend der luchten:
'Goed is 't zeker en bezonnen
deze berk voor ons te sparen,
stam en kroon op 't veld te laten
tot een nestplaats voor de vogels,
dat ik zelve daar kan rusten.'
vuur slaat dan de hemelvogel,
snel verbreidt hij vlammentongen,
Noordwind blaast, zijn vuurgloed raast er,
brandt het hout tot grijze ashoop,
alle stammen vlammen neder
tot verkoold, tot as zij worden.
Väinämöinen, oud en wakker,
haalt tevoorschijn nu de korrels,
zes, ja, zeven kostb're korrels,
uit de tas van martervellen,
uit de huid van zomereekhoom,
uit het vel van 't hermelijntje.
Richt zijn schreden om te zaaien,
strooit de zaden in de aarde
en spreekt daarbij deze woorden:
'Diep gebogen werp het zaad ik,
tussen scheppers vingers valt het,
door de hand van Hoogverheev'ne,
om op 't land hier te ontkiemen,
uit de bodem op te groeien.
Oud-eerwaarde in de diepten,
aardemoeder, veldgodinne,
schenk de aarde goede kiemkracht,
breng de velden tot ontspruiten,
aardekrachten nimmer falen,
goede machten nimmer dralen,
als de scheppingsdochters zegenen,
als de grote schenksters helpen.
Uit uw slaap ontwaak, o aarde,
Scheppers land, schud af de sluimer,
laat de halmen zich verheffen.
laat de stengels op zich richten,
duizend aren zich ontvouwen,
honderdvoudig zich verbreiden
door mijn ploegen, door mijn zaaien,
door het werken mijner handen.
Ukko, gij, o god der hoogten,
gij, o Vader in de hemel,
over wolkenvelden heerst gij,
alle hemelwolken stuurt gij.
Houd nu raad in wolkenrijken,
overleg in 't rijk der luchten,
zend een wolk vanuit het oosten,
laat uit 't noordwest ook een naderen,
drijf uit 't westen andere samen,
wijs uit `t zuiden enkele herwaarts,
laat de regen nedervallen,
laat de wolken honing druppelen
dat de halmen opwaarts rijzen,
dat de aren golvend ruisen.'
Ukko, hij, de god der hoogten,
hij, de Vader in de hemel,
hield dan raad in wolkenrijken,
overlegde in het luchtrijk.
zend een wolk vanuit het oosten,
laat uit `t noordwest ook een naderen,
drijf uit 't westen andere samen,
wees uit `t zuiden enkele herwaarts,
voegde wolkezomen samen,
balde samen alle wolken,
liet de regen nederstromen,
uit de wolken honing druppelen,
dat de halmen opwaarts rezen,
dat de aren golvend ruisten.
En de halmen zich verhieven,
aren zwollen aan tot volte
uit de moederschoot der aarde
door het werk van Väinämöinen.
Dag aan dag ging zo voorbij en
twee, drie nachten zo verliepen;
toen de hele week voorbij was
ging de oude Väinämöinen
naar zijn akkers om te kijken
of zijn werk daar en zijn zaaien,
of zijn arbeid wel gedijde;
zag het zaad hoog opgeschoten,
zag de aren met zes kanten,
zag de halmen met drie knopen!
Väinämöinen, oud en wakker,
kijkt nu om zich, wendt de blik dan;
zie, de koekoek van het voorjaar
komt gevlogen, ziet de berk dan:
'Waarom staat de groene berk nog
ongeveld hier bij de akkers?'
Sprak de oude Väinämöinen:
'Daarom is zij hier gelaten,
dat zij verder moge groeien
als een plekje om te zingen,
roep dan hier, o dierb're koekoek,
zing met zachte keel een liedje,
zing met zilveren stem dan helder,
zing met klare klokkeklanken,
roep des morgens, roep des avonds,
roep in warme middagstonde,
dat de aarde zich verheuge,
dat de bossen voller groeien,
kusten rijker schatten schenken,
en tot volheid aren zwellen.'


Met toestemming van de uitgeverij overgenomen uit:
Kalevala : Het epos der Finnen / verz. door Elias Lönnrot ; in Nederlandse verzen
[vert. uit het Duits naar de oorspr. Finse uitg.] gebracht door Mies le Nobel ;
van vijftig tek. voorz. door André Maas. - Zeist : Vrij Geestesleven / Christofoor,
cop. 2007. - 332 p. : ill. ; 25 cm
Oorspr. Nederlandse uitg.: Rotterdam : Christofoor, 1978
Vert. van: Kalevala. - München : Meyer und Jessen, 1921
ISBN: 9789060386019