Kalevala epos, eerste rune



Aangespoord word ik door luchtkracht,
door mijn zinnen opgeroepen
om tot zingen nu te komen,
Aan het spreken aan te vangen,
om het lied van 't volk te zingen,
om der vaderen zang te zeggen;
sappig in de mond het woord wordt,
tonen klinken uit mijn ziele,
willen van mijn tong nu snellen,
willen uit mijn tanden breken.
Trouwe vriend, mijn beste broeder,
met mij samen opgegroeid eens,
kom nu om met mij te zingen,
laat vereend ons samen spreken
nu wij hier elkander vonden,
saamgestroomd uit verre streken;
zelden komen wij te zamen,
zelden vinden wij elkander
in de uitgestrekte landen
van 't armoedig kale noorden.
Laat ons hand in hand nu leggen,
vingers zich te zamen strengelen
om een monter lied te zingen,
't allerschoonste voor te dragen
voor de ons zo dierb're scharen,
voor de zo geliefde lieden,
voor de jeugd die luisterend opgroeit,
voor het jonge volk der toekomst,
deze woorden eens geschonken,
deze liederen, voortgekomen
uit de gordel Väinämöinens,
uit de smidse Ilmarinens,
door het zwaard van Kaukomieli,
door de boog van Joukahainen,
door de streken van het noorden,
door het land van Kalevala.
Deze woorden zong mijn vader
toen zijn hand de bijlschacht vormde;
deze woorden leerde moeder
mij terwijl het spinwiel snorde
en als kind ik bij haar knieën
op de vloer al spelend voortkroop,
als een hulpeloze melkmuil,
als een onbeduidend wichtje;
toverwoorden misten nimmer
over Sampo, over Louhi:
oud werd Sampo door de woorden,
Louhi stierf in toverspreuken,
in de liederen stierf Vipunen,
Lemminkäinen bij het spelen.
Er zijn nog veel andere woorden,
toverspreuken die ik leerde,
langs de wegzoom saamgebundeld;
'k plukte ze op heidevelden,
brak ze af van wilde struiken,
las ze op van tere twijgen,
perste ze uit groene grassen,
raapte ze langs smalle paden
waar ik ging als herdersjongen,
waar als kind ik door de weide
- vol van honingzoete geuren -
over glanzend gouden heuvels
volgde zwarte koe Muurikki,
bonte Kimmo aan haar zijde.
Liederen schonk de koude vorst mij,
zongen mij de regenbuien;
winden en ook watergolven
brachten andere liederen tot mij.
Woorden schonken mij de vogels,
bomenkronen schiepen spreuken,
'k voegde ze samen tot een kluwen,
bond de woorden tot een bundel,
wierp de kluwen op mijn wagen,
laadde bundels op mijn slede,
bracht ze naar mijn woonstee henen,
op de slede naar de schuren,
bracht ze op de houten zolder,
in de kist met koperen sloten.
Lagen lang vergeten, wachtend,
in de koude, in het duister.
zal ik 't lied nu laten stromen,
uit der koude greep ontdooien,
en mijn kisten in de kamer
bij de tafels hier nu brengen,
onder zware houten zoldering,
onder 't dak dit wijd geroemde,
liederschatten openbaren,
schijn der zangen u ontsluiten?
zal de kluwen ik ontwarren,
losmaken de knoop der knotten?
'k zal een gouden lied gaan zingen
dat het wonderschoon zal klinken,
als ik 't roggebrood gegeten
en het gerstenat gedronken;
zou men mij geen bier meer reiken
en geen drank ook mij meer bieden,
zingen zal mijn schrale mond dan
bij een slok van 't koele water,
puur uit dank voor deze avond,
lovend deze dag van vreugde,
tot des vroege morgens lichten,
als de nieuwe dag begonnen.

Dikwijls hoorde ik zo spreken,
hoorde zo het lied steeds zingen:
eenzaam overvalt ons 't duister,
eenzaam staan wij in het zonlicht,
eenzaam was ook Väinämöinen,
deze eeuwige wonderzanger,
toen de schone luchtkrachtdochter
baarde hem en word zijn moeder.
jonkvrouw was het kind der luchten,
zij, de schone scheppingsdochter
droeg zo lang 't bestaan heel eenzaam,
lange tijd haar maagd'lijk leven,
in der luchten wijde zalen,
in de vlak gebaande streken.
Eenzaam stond zij daar in 't leven,
onbehaaglijk viel 't bestaan haar
altijd maar alleen te wezen,
zo als jonkvrouw daar te toeven
in der luchten wijde zalen,
op verlaten, lege velden.
Neder daalde toen de jonkvrouw,
liet zich neer op waterstromen,
op de rug der zilte zeeën,
op der wateren wijde golven.
stormwind stak toen op uit 't oosten,
Wilde wind begon te blazen,
wekte op de witte schuimkop,
liet de golven woelend deinen.
Stormwind wiegde zo de jonkvrouw,
met haar speelden nu de golven
op de blauwe watervlakte,
op de wit-bekranste stromen;
zwanger blies de wind de jonkvrouw,
volheid schonken haar de golven.
En des lichaams zwaarte droeg zij;
en zijn lasten brachten smarten,
zevenhonderd jaren droeg zij,
negen mensenlevens lang wel;
wachtte tot zij 't kind zou baren,
tot geboren het kon worden.
zij zwom rond als watermoeder,
eerst naar 't oosten, dan naar 't westen,
dan naar 't noorden, dan naar 't zuiden,
zwom in alle hemelstreken,
hoedend steeds de vrucht der winden,
lijdend aan des lichaams lasten,
dragend 't kind, nog ongeboren,
niet te voorschijn nog gekomen.
Zacht begon zij toen te wenen,
woorden sprak zij die zo klonken:
'Wee, welk lot mij arme toeviel,
wee, waarheen gaan nu mijn wegen!
Zover is 't met mij gekomen,
dwalend onder vrije hemel,
dat de winden mij hier wiegen,
dat de golven met mij spelen
op de wijde watervlakte,
op de eindeloze stromen.
Beter zou 't voor mij geweest zijn
jonkvrouw in de lucht te blijven
dan te zijn de watermoeder,
drijvend eeuwig, zonder einde;
kil en koud is hier mijn leven,
pijnlijk is het hier te wijlen,
dwalend in het rijk der golven,
op het water voort te drijven.
Ukko, gij, o god der hoogten,
drager van gewelfde hemel,
kom te hulp, ik heb u nodig,
kom te hulp, gij wordt geroepen,
breng ten eind het leed der jonkvrouw,
en der moeder sterke weeën.
Kom met spoed nu, haast u nader,
nader snel, want hulp is nodig.'
Korte tijd slechts was verstreken,
nauwelijks een ogenblikje,
of daar komt een schone vogel,
vliegt een eend daar over 't water,
zoekt een plekje om te nestelen,
speurt naar plaats om neer te strijken,
vliegt naar 't oosten, vliegt naar
't westen,
vliegt naar 't noorden, vliegt naar
't zuiden:
nergens is een oord te vinden,
zelfs niet 't allerslechtste plekje,
't allerkleinste steunpunt, nergens
waar zij 't nest zou kunnen bouwen.
Langzaam zweeft zij, 't nog steeds
speurend,
zij bezint zich, overlegt dan:
'Bouw ik in de wind mijn nest hier,
op de golven 't tere bouwsel,
zullen winden het verwoesten,
voeren golven het ver henen.'
Daar verheft de watermoeder,
zij, der luchten schone dochter,
uit de zee haar beide knieën,
uit de vloed haar schouderbladen
waar de eend haar nest kan bouwen,
waar in vrede zij kan rusten.
Moedereend, de schone vogel,
nadert zwevend, kijkt rondom zich,
ziet de knie der watermoeder
op de blauwe golvenvlakte,
houdt het voor begroeide heuvel,
meent te zien een sappig grasveld.
Daarheen vliegt zij, zweeft dan
langzaam
neder op de knie der jonkvrouw,
bouwt gezwind een nest door veilig,
legt daarin de gouden eieren,
gouden eieren legt zij 'n zestal,
't zevende is een ei van ijzer.
zet zich broedend op de eieren,
warmt de welving van de knie zelfs,
broedt een dag en nog een tweede,
broedt de derde dag stil voort nog;
reeds bemerkt de watervrouw het,
zij, der luchten schone dochter,
voelt de warmte, warmer wordt het
tot de huid begint te gloeien,
vreest dat zij haar kale zal branden,
dat haar aderen zullen smelten.
Zij beweegt haar knie nu haastig,
schudt haar loden dan zo heftig
tot de eieren in het water,
in de vloed der zeeën storten,
in de stroom in stukken breken
en tot brokstukken versplinteren
die niet ondergaan in modder,
niet in 't diepe water zinken,
maar heel mooi veranderd worden,
fraai gevormd nu alle brokken.
't onderstuk, gewelfd slechts weinig,
wordt tot aarderond geschapen,
't bovenstuk het eierschaal nu
vormt de hoge brug des hemels;
't geel het eierdooier boven
schenkt het stralend licht der zonne,
't eiwit boven aan de eischaal
glanst als zilveren manestralen.
spatjes wijd en zijd gesprenkeld
worden sterren aan de hemel
en het donkere van het ei nu
drijft als wolken langs de luchten.
En de tijden vlieden verder,
almaar voort gaan nu de jaren
in het licht der jonge zonne,
in het glanzen van het maanlicht.
voort drijft steeds de watermoeder,
zij, der luchten schone dochter,
in de sluimer-stille golven,
over nevelrijke wateren,
voor zich steeds het eeuwig stromen,
achter zich de heldere hemel.
Eindelijk na negen jaren,
in de tiende zomertijd dan,
heft zij 't hoofd op uit het water,
tilt haar voorhoofd uit de golven.
Zij begint een werk te scheppen,
gaat het grote werk beginnen,
op de rug der woelige golven,
op der zeeën wijde vlakte.
Waarheen zij haar handen strekte
stegen op reeds aarde-hoogten,
waar zij met haar voet aan raakte
vormden diepten zich voor vissen,
waar omlaag zij dook in 't water
zonk het zeeën grond terneder,
waar zij wendde hare heupen
oeverlanden daar zich glooiden,
waar naar 't land haar voet zich richtte
vormden zich reeds zalmenkommen,
waar haar hoofd het land benaderd'
daar ontstonden wijde baaien.
Zij zwom zeewaarts nog en verder,
dreef daar ruglings voort een weinig,
schiep zo klippen in de zeeën,
rots'ge ruggen onder water,
waar de schepen schipbreuk lijden
en hun graf de mannen vinden.
Eilandketens vormde zij nu,
in de diepten sterk gegrondvest,
richtte op het luchten zuilen.
Velden, weiden zijn geschapen,
rondgesprenkeld bonte stenen,
diep gekloofd de hoge bergen.
Väinämöinen slechts, de zanger,
was en bleef nog ongeboren.

Väinämöinen, oud en wakker,
wacht nog in de schoot der moeder,
dertig zomers lang nog wacht hij,
dertig lange winters toeft hij
nog in sluimerstille golven,
in de nevelrijke wateren.
Hij bezint zich, overlegt ook,
hoe te worden, hoe te leven
in de nimmerlichte ruimte,
in de nauwbeperkte engte,
waar hij niet het noordlicht schouwen,
niet het zonlicht kan ontwaren.
Daarop spreekt hij deze woorden,
laat op deze wijs' zich horen:
'Maan, verlos mij! zon, bevrijd mij!
Voer o grote hemelbeer mij
door de vreemde dichte deuren,
door de onbekende poorten,
breng mij uit het klein verblijf nu,
breng mij uit de enge woning,
dat op aarde vrij ik gaan kan,
vrij bewegen als een mens mij,
dat ik stil de maan zie rijzen,
dat ik zonnebaan aanschouwe,
dat mijn blik de beer kan volgen,
aller sterren flonkering schouwe!'
Daar de maan hem niet verloste,
daar de zon hem niet bevrijdde
word 't bestaan hem onbehaaglijk,
kommervol voor hem het leven;
breekt de smalle poort der vesting
met de nameloze vinger,
sluipt door 't slot, dat hij eerst opent
met zijn grote teen, de linker,
en kruipt stil de drempel over,
op zijn knieën door het voorhuis;
duikt dan onder in het water,
wendt met handen dan de golven.
zo vertoeft hij in het water,
leeft de held in macht der golven,
leeft een vijftal jarenronden,
ja, een zesde jaarkring ook nog,
zelfs een zevende en een achtste;
dan besluit hij 't waterleven
bij een onbekende landtong,
aan de bomeloze stranden.
Kruipt het land op op zijn knieën,
heft zich op met beide handen,
richt zijn oog naar 't stralend zonlicht,
ziet de zilveren glans van 't maanlicht,
ziet de beer in sterreschittering,
aller sterren diep geflonker.
Aldus word nu Väinämöinen,
deze machtige wonderzanger,
uit der luchten schone dochter,
werd uit Ilmatar geboren.


Met toestemming van de uitgeverij overgenomen uit:
Kalevala : Het epos der Finnen / verz. door Elias Lönnrot ; in Nederlandse verzen
[vert. uit het Duits naar de oorspr. Finse uitg.] gebracht door Mies le Nobel ;
van vijftig tek. voorz. door André Maas. - Zeist : Vrij Geestesleven / Christofoor,
cop. 2007. - 332 p. : ill. ; 25 cm
Oorspr. Nederlandse uitg.: Rotterdam : Christofoor, 1978
Vert. van: Kalevala. - München : Meyer und Jessen, 1921
ISBN: 9789060386019